X

Oefeningen voor rug

Onderrug:
m. quadratus lumborum is de brede onderrugspier.

Functie: wanneer je deze spier enkelzijdig aanspant dan buigt hij de wervelkolom opzij (lateroflexie). Bij dubbelzijdig aanspannen strekt hij de onderrug (extensie).

Lange rugspieren:
De rugstrekkers (erector trunci) is een verzameling van korte en lange spierbundels die over een of meerdere wervelnivo's lopen.

Functie: de gezamenlijke functie van deze spierbundels is het strekken van de rug en nek oftewel extensie.

Bovenrugspieren
De bovenrugspieren bestaan uit:

1. heffer van het schouderblad (m. levator scapulae)
2. afdalende deel van de monnikskapspier (m. trapezius pars descendes)
3. dwarslopende deel van de monnikskapspier (m. trapezius pars transversum)
4. opstijgend deel van de monnikskapspier (m. trapezius pars ascendens)

De bovenrugspieren hebben als functie:
1. het heffen van het schouderblad (elevatie)
2. naar elkaar toe brengen van de schouderbladen (retractie)
3. het naar beneden brengen van het schouderblad (depressie)

Spieren tussen de schouderbladen:
De spieren tussen de schouderbladen bestaan uit:

1. kleine ruitvormige spier (m. rhomboideus minor)
2. grote ruitvormige spier (m. rhomboideus major)
3. grote ronde spier (m. teres major)
4. brede rugspier (m. latissimus dorsi)

Functie van de kleine en grote ruitvormige spier: de spieren trekken het schouderblad naar de wervelkolom toe (retractie)
Functie grote ronde spier en brede rugspier: deze spieren hebben als functie het indraaien (endoroteren) en het achterwaarts heffen (retroflecteren) van de bovenarm.

Spieren tussen de schouderbladen en borstkas
De spieren tussen schouderblad en borstkas bestaan uit:
1. voorste zaagspier (m. serratus anterior)
2. onderste schouderbladspier (m. subscapularis). Deze spier wordt gerekend tot de zogenaamde cuff spieren. De cuff spieren spelen een belangrijke rol bij het stabiliseren van de schouderkop ten opzichte van de schouderkom.

Functie voorste zaagspier:
Het stabiliseren, heffen (elevatie), draaien (rotatie) en het van de wervelkolom afvoeren van het schouderblad (protractie).

Functie onderste schouderbladspier:
1. indraaien van de schouder (endorotatie)
2. assisteren bij het afvoeren van de bovenarm (abductie)
3. assisteren bij het afvoeren van de bovenarm (adductie)